[Johan Loos op 8-beaux-forts in Bozar, 1988]
De leeskamer lijkt steeds minder de natuurlijke biotoop van Het Woord. Performance poëzie, rap en spoken word: de poëzie keert de laatste jaren terug naar de straat, waar ze vandaan komt.
Poëzie ontstond als middel om teksten beter te kunnen onthouden, en ze mondeling makkelijk door te kunnen geven. Naar poëzie werd geluisterd, ze werd veel minder gelezen. In de Klassieke Oudheid was het bijvoorbeeld de gewoonte om tijdens uitgebreide diners te luisteren naar redenaars die klassieke werken reciteerden. Eeuwen later schonken de rederijkers prijzen aan de beste voordragers en organiseerden ze literaire tournees. Domineedichters in de 19e eeuw zagen in orale poëzie dan weer het ideale vehikel om lesjes over God, het vaderland en het gezin onder zoveel mogelijk mensen te verspreiden. In de jaren ’60 en ‘70 dynamiteerden asfaltpoëten, performancedichters, en beatpoets het academische literaire establishment. Sindsdien is de honger naar het gesproken woord alleen maar toegenomen.
Deze diepgewortelde traditie verklaart de hardnekkigheid van het cliché dat poëzie, veel meer dan andere literatuur, alleen maar tot zijn recht kan komen als ze – op de juiste manier - voorgelezen wordt.
Wanneer het wel werkt
Toegegeven, het is vaak aangenaam om naar gedichten te luisteren. Misschien omdat we de gedichten via de intonatie van de voorlezer beter aanvoelen, of gewoon omwille van het hoog entertainmentgehalte van voorgedragen poëzie. En het doet je natuurlijk iets als je je favoriete dichter uit zijn eigen werk hoort voorlezen. Dat bracht Jim Clarke, een Londense videokunstenaar, op het idee om poëzielegendes weer tot leven te wekken. Dankzij spitsvondige technologie laat hij grootheden als Edgar Allan Poe, Emily Brontë, Arthur Rimbaud en James Joyce voorlezen uit hun bekendste werk.
Bij vele mensen werkt ontroering nog altijd het beste langs het oor. Alle kunst wil eigenlijk muziek zijn (dixit Walter Pater), maar bij poëzie merk je dat het best. Veel zangers zijn ook poëten. Ed Sanders en Tuli Kupferberg van The Fugs bijvoorbeeld. Zij doorspekken hun songs met poëtische trouvailles. En niemand fronst nog de wenkbrauwen wanneer de lyrics van Steely Dan, Joni Mitchell of Leonard Cohen aan een literair-wetenschappelijke analyse worden onderworpen. Elk jaar duikt er ook wel een professor op die vindt dat Bob Dylan al lang de Nobelprijs literatuur had moeten krijgen.
Wanneer het niet werkt
Maar toch is niet alle poëzie geschikt om voor te lezen of te zingen. Daar zit de boekdrukkunst voor iets tussen. Door zijn ontstaan raakte de orale traditie in verval, en veranderde de aard van de poëzie. Gedichten werden steeds meer met het oog in plaats van met het oor geschreven. Wie een gedicht tot zich nam, consumeerde op de eerste plaats letters, geen klanken.
Een duidelijk voorbeeld is het bekende gedicht ‘Boem paukeslag‘ van Paul van Ostaijen. Zijn poëzie is een voorloper van Nederlandstalige concrete poëzie, een moderne poëzievorm waarin gedachten werden uitgedrukt door een bijzondere grafische vorm te creëren met taal- en typografische elementen. De poëzie van van Ostaijen kan je niet voorlezen zonder het effect van de typografie en de bladschikking te verliezen.
[Uiteenzetting van Paul De Vree over ‘concrete poëzie’, ICC Antwerpen, 1971]
Gebarentaalpoëzie
Voorbij het dilemma ‘zeggen of schrijven’ zijn er nog heel andere, verrassende manieren om gedichten voor het voetlicht te brengen.
[Wim Emmerik, Een wereld van gebaren,1997]
Wim Emmerik is doof en schrijft poëzie in gebarentaal. Hij is een van de eerste dichters in gebarentaal in Nederland. Als je het manifest “Projective Verse” van de Amerikaanse dichter Charles Olson leest, waarin deze onder andere zegt dat bij het schrijven van een vers meer aandacht moet gaan naar de klank ervan dan naar de betekenis (later overgenomen door de Beat poets), zou je je kunnen afvragen of dove mensen wel in staat zijn te dichten. “Want ieder woord, zelfs als het geschreven wordt, wordt gevormd in de ‘mond’ en gewogen door het oor van diegene die het neerschrijft”, aldus Olson. Kan je dan gedichten creëren als je niet kan praten of horen?
Emmerik bewijst van wel. Het bijzondere aan zijn gedichten is dat ze geen vertalingen zijn van gedichten die op papier zijn ontstaan, maar dat ze volledig gecreëerd zijn ‘binnen’ de gebarentaal. Die heeft haar eigen grammatica en eigen woordenschat (’lexicon’) en kent geen geschreven vorm. Als iemand Emmeriks’ gedichten wil ‘lezen’, moeten die dus eerst door een gebarentaaltolk vertaald worden naar onze schrijftaal.
Wim Emmerink is niet de enige gebarentaaldichter. Er bestaat een heuse internationale scene die nu en dan eens samenkomt. In Groot-Brittannië is er Paul Scott die in de British Sign Language dicht. De dove Amerikaanse dichter Peter Cook richtte samen met de ‘horende stem’ Kenny Lerner het ‘Flying Words Project’ op. Ze voeren samen performances op waarbij de voertaal de American Sign Language is, maar op een manier zodat het zowel voor een doof als voor een horend publiek leuk blijft.
Ook Allen Ginsberg was geïntrigeerd door dove poëzie. De doofstomme poëet Robert Panara was een goede vriend van hem en vertaalde enkele van Ginsbergs’ gedichten in gebarentaal. In België is er dan weer de Deaf poems society, opgericht door de jonge, horende dichter Miguel Declercq. Hij stelde een bloemlezing samen van veertien gedichten over het überthema de liefde, en liet de gedichten visueel vertalen door dove gebarentaalkunstenaars.
[Oorverdovende liefde, Man Bijt Hond 2002]
De mythe van de verstaanbaarheid
Gedichten moet je dus zeker niet altijd horen. Dat is ook het standpunt van Ilja Leonard Pfeijffer. Hij heeft bedenkingen bij de poëzie die voortkomt uit de hype rond voordrachtpoëzie.
Niet zozeer het performen op zich stoort hem, wel dat de poëzie die zo ontstaat maximaal toegesneden is op een luisterend publiek. Als je een gedicht schrijft dat bedoeld is voor een performance, zal je het verstaanbaarder maken. Dat werkt beter. Want waar een lezer er zo lang over kan doen als hij wil om een hechte tekst te doorgronden, moet een publiek dat luistert het allemaal in één keer in het tempo van de voordracht kunnen snappen.
Doordat de meeste nieuwe dichters geboren zijn op het podium, vreest Ilja Leonard Pfeijffer dat de kwaliteit van geschreven poëzie er niet op zal verbeteren. Maximaal verstaanbare taal, geen vernieuwende woordcombinaties, ongebruikelijke woorden, gewaagde metaforen of verontrustende syntaxis. Recht-toe-recht-aan poëzie zonder stoorzenders is voor hem geen poëzie.
In één van zijn essays over poëzie, is Joris Lenstra milder voor dit soort poëzie. Volgens hem is het ergens nutteloos om elk dichtwerk dat voortkomt uit een performance op een weegschaaltje te leggen. “De grootste verdienste van de poetry slam is dat zij de poëzie gescherpt heeft. Niet alleen omdat zij benadrukt dat poëzie in de mond gevormd wordt, met het oor gehoord wordt en een toeschouwer behoeft. Maar ook omdat zij een nieuwe toon neerzet. Niet langer worden sullige dichters geaccepteerd die mompelend achter hun katheder hun uur uitzitten. Niet langer wordt hier braaf voor geapplaudisseerd. Men is verwend geraakt en mag daarom beter verwachten. Dat punt hebben zij, de slammers, onmiskenbaar nu al gescoord”.


