[Filip Meirhaeghe en Kid Coco, 1999]
Misschien is dichten voor sommigen wel een roeping, voor de meeste mensen is het niet meer dan een hobby. Filip Meirhaeghe en Kid Coco hebben hun ware talent ontdekt in sport en muziek. Maar dat belet hen niet om bij gelegenheid de pen ter hand te nemen en verzen te schrijven.
Ook een meer doordeweekse baan is te combineren met het parttime dichterschap. In sommige gevallen kan die baan zelfs inspireren. Neem nu postbode Felix Van den Broeck. Jarenlang droeg hij andermans brieven rond, waarin leed en blijdschap werden verkondigd. Ze wakkerden in hem het vuur van de poëzie aan.
[Man bijt hond, 1999]
Of Maurice Olivier, een turnleraar op rust. Naast de sport, heeft ook de dichtkunst altijd een bijzondere plaats ingenomen in zijn hart. De meeste van zijn gedichten gaan over vrouwelijk schoon en worden best op zangerige toon gedeclameerd. Zou dat een gevolg kunnen zijn van veertig jaar strakke turnpakerotiek?
[Echo, 1969]
Maar wat dan met de poëet pur sang ? Een dichter die zich niet wil bezighouden met de beslommeringen van alledag om zich geheel te wijden aan de schoonheid van het Woord en het ritme van het vers ? Al voelt hij zich nog zo “geroepen”, de harde realiteit leert hem dat er ook brood op de plank moet komen en dat rekeningen moeten worden betaald.
Willem Elsschot is een bekend voorbeeld van een schrijver-dichter in dat geval. Hoewel hij nu tot de grootste Vlaamse schrijvers wordt gerekend, was hij tijdens zijn leven verplicht zich in te laten met de prozaïsche wereld van de reclame waar hij een hartsgrondige hekel aan had. “Eet mosterd van Tierenteyn Ferdinand / veruit de bekwaamste fabrikant / van ons beminde Belgenland”.
Voorwaar geen grote poëzie, maar als de kunstenaar ervan kon leven, dan hebben ook deze karamellenverzen bijgedragen tot de kunst.


