[Juliette Gréco leest 'Minne' van Hadewych, 1966]
“Poetry is what is lost in translation”
Met deze oneliner veegt de Amerikaanse dichter Robert Frost op koninklijke wijze het idee van tafel dat poëzie voor vertaling vatbaar is. Als het aan hem lag, waren we gedoemd enkel gedichten te lezen in de talen die we beheersen en, laat ons eerlijk zijn, dat zijn er niet bijster veel.
Volgens vertaalwetenschapper Cees Koster ligt het romantische begrip ‘oorspronkelijkheid‘ aan de basis van de hardnekkige opvatting dat poëzie onvertaalbaar zou zijn: kunst hoort uniek en authentiek te zijn, dus elke poging tot herhaling (vertaling) doet afbreuk aan het origineel. Vertalers zijn verraders, ‘traduttore, traditore’, een strenge veroordeling die hen er niet van weerhoudt te blijven proberen. Gelukkig maar.
Natuurlijk bestaat die perfecte vertaling, waar rijm, metrum en betekenis exact samenvallen met het origineel, niet. Daarom betreurt Benno Barnard in een essay over de Russische dichter Joseph Brodsky het feit dat hij zelf geen Russisch kent, want nu is hij voor het lezen van Brodsky aangewezen op de kwaliteit van de vertalers. Wat gaat er dan niet allemaal onherroepelijk verloren?
“Orthodoxie, imperiale geschiedenis, atavismen van lijfeigenschap en obscurantisme, bijgeloof, een speciale ziel, de Russische namelijk (een wezenlijk onderdeel van dat bijgeloof), Petrograd-voorheen-Leningrad, de vlakte gelimiteerd door berkenbomen, duizend andere dichters: het bevindt zich allemaal achter dat onverbiddelijke hek van Cyrillische lettertekens. En niemand die het allemaal kan meevertalen.”
Maar toch heeft Barnard het gevoel dat hij Brodsky begrijpt. En dat heeft hij aan onverschrokken vertalers te danken die er -elk op hun manier- in slagen ‘de geest’ van Brodsky te vatten, ook al vindt niet elk rijm, elke nadruk, elke onderliggende gedachte dan zijn weg naar de vertaalde versie. Het is nu eenmaal de taak van de vertaler om het gedicht ‘over te brengen’ in een andere taal en eraan te sleutelen tot het in de nieuwe taal ‘klinkt’ en ‘werkt’.
Daarom wordt er in de moderne vertaalwetenschap voor gepleit om vertaalde gedichten als volwaardige ‘nieuwe’ gedichten te beschouwen en niet als slappe aftreksels van het origineel. De interpretatie die de vertaler aan het gedicht meegeeft, heeft immers zijn eigen intrinsieke waarde.
Dat die interpretatie van een vertaler soms heel ver kan gaan, blijkt bijvoorbeeld uit de Engelse vertaling van de “Rubaiyat“. Deze verzameling kwatrijnen van de middeleeuwse Perzische dichter Omar Khayyan, werd grondig onder handen genomen door de excentrieke 19de eeuwse schrijver Edward Fitzgerald. Zijn vertaling was zéér vrij: het werd een fatalistisch en hedonistisch carpe diem-gedicht dat perfect aansloot bij de leefwereld van de tobbende Victorianen, die net te horen hadden gekregen dat ze van de apen afstamden. Zo had de Perzische auteur het zeker niet bedoeld.
Maar neemt u vooral zelf de proef op de som: op deze website vindt u een schat aan poëzie van dichters uit de hele wereld met vertalingen in verschillende talen.



28/01/2009 om 17:31
Dat een gedicht niet of moeilijk vertaalbaar is vind ik waar. Dat het daarom niet meer moet vertaald worden vind ik dan weer niet. Het heeft alles te maken met de structuur, het melodieuze en het eigen van de taal.Daarom maakt het de vertaling soms moeilijk. Persoonlijk ben ik gewonnen voor het feit dat een gedicht in zijn oorspronkelijke versie en taal moet gebracht worden.
30/06/2009 om 09:02
Onzin