[De zevende dag, 2004]
Politiek en poëzie, de woorden allitereren, maar vallen de begrippen met elkaar te rijmen? Waar politiek staat voor het aardse gekonkelfoes van stemmenronselaars en populisten, lijkt poëzie zich af te spelen in een heel andere dimensie waar bezieling, pure bewoordingen en onbezoedelde schoonheid heersen. Politiek en poëzie behoren tot onverzoenbare werelden, zo luidt de gemeenplaats.
Wie de dichter en de politicus op de ‘schaal van maatschappelijke relevantie’ plaatst, komt inderdaad uit bij twee uitersten. De politicus heeft macht, kan veranderingen teweeg brengen, kan maken of kraken. De dichter wordt wat meewarig afgedaan als een eenzaat, een dromer die krampachtig knutselt met woorden waar niemand op zit te wachten. Of zoals dichter en literatuurwetenschapper Geert Buelens het formuleert: “In de hiërarchie Beroepen die Ertoe Doen bevindt de dichter zich ergens helemaal onderaan, naast de kaboutermutsenontwerper, de blokfluitreparateur en de oudekrantencollectionneur”.
Toch is er ook sprake van een zeker osmose tussen politiek en poëzie. Zowel de politicus als de dichter gebruikt de taal om mensen te raken - weliswaar met heel andere doeleinden. Er zijn politici die dichten. En dichters die het over politiek hebben.
Dichters zijn immers ook maar mensen. Het nieuws van vallende regeringen en opstijgende F16’s bereikt ook hun fijngetunede oren. Neem de oorlog in Irak : op initiatief van Het Beschrijf bundelde een negentigtal auteurs hun ‘berichten aan de bevolking‘: stukken proza, poëzie en essay die tot nadenken moeten stemmen over zinloos oorlogsgeweld. Een deel van schrijvend Vlaanderen heeft het ook op de NAVO gemunt en bepleit eensgezind de afschaffing ervan.
Het beeld van de geïsoleerde dichter ingeduffeld in zijn lappendeken van allerindividueelste gevoelens en gewaarwordingen blijkt niet te kloppen. De geschiedenis leert ons dat dichters soms een grote invloed hebben op de bevolking. Dictators en andere machtswellustelingen lopen dan ook niet hoog op met al te assertieve woordkunstenaars. De lijst van ‘dissidente’ schrijvers die gevangen, verbannen, en geëlimineerd werden wegens ’staatsgevaarlijke’ activiteiten is bedroevend lang en levert het ultieme bewijs dat machthebbers zich bewust zijn van de kracht van woorden.
En hoed u als ze daar dermate van doordrongen zijn dat ze zelf het woord bij de daad voegen. Want, zo stelt Geert Buelens : “Waar de dichter de werkelijkheid met poëzie tracht te verzachten of te verklaren, schakelt de politicus de poëzie in om allerlei (niet zelden totalitaire) ideeën werkelijkheid te laten worden”. Radovan Karadzic, Osama Bin Laden, Saddam Hussein zijn daar enkele fraaie voorbeelden van. De haat en agressie die uit hun verzen spreekt, bezorgt de doorsnee lezer koude rillingen.
In ons land belichaamt kersvers premier Herman Van Rompuy nog het best de rol van dichter-politicus. Al valt het bij hem nogal mee wat totalitaire ideeën en propagandistische slogans betreft. De haiku’s die hij sinds enkele jaren op zijn weblog post, baden in een boeddhistische zweem van wijsheid. Het zij hem gegund in deze politiek troebele tijden.
[Herman Van Rompuy, 2008]


