[ Fernando Pessoa - Ik geef niet om rijm, Coda, 1990]
Dat gedichten moeten rijmen is één van de hardnekkigste clichés die er over poëzie bestaan. Gepaarde rijmen, gekruiste rijmen, omarmende rijmen, het zijn allemaal stijlfiguren die fraaie zinnen dat poëtische extraatje geven. Maar zijn ze een voorwaarde om van goede poëzie te kunnen spreken? Doorheen de literaire geschiedenis hebben zich voor- en tegenstanders geprofileerd in alle gradaties.
Extreme vormadepten waren de laatmiddeleeuwse rederijkers. Deze lieden met dichterlijke inborst kwamen maandelijks samen om poëzie te bedrijven en maakten er een wedstrijdje van. Het gedicht moest over een opgegeven thema gaan en aan strikte vormvereisten voldoen. Zo ontstond bijvoorbeeld het fameuze kreeftgedicht dat achterstevoren moest kunnen gelezen worden. Of het akrostichon waarvan de eerste letters van opeenvolgende versregels een naam moesten vormen.
In deze film uit 1968 probeerde regisseur Jef Cassiers de geest van de rederijkerskamers te vatten. Er wordt voorgedragen en gemusiceerd ‘in ‘t vroede’ (de serieuze gedichten), ‘in ‘t amoureuze’ (over de liefde) en ‘in ‘t sotte’ (van komisch tot schunnig).
[Rederijkerspoëzie, 1968]
De Vijftigers streefden dan weer het compleet tegenovergestelde na. Deze generatie dichters in de jaren ‘50 van de vorige eeuw verafschuwde de conventies van de traditionele lyriek. Esthetische tierlantijntjes, als metrum en rijm, beschouwden ze als barrières die spontaneïteit en directheid in de weg stonden. Hun doel was totale vrijheid en een poëzie die niet tot het verstand sprak, maar tot de zintuigen. Lucebert, die als leider van de Vijftigers wordt gezien, verwoordde het zo: “Ik tracht op poëtische wijze/Dat wil zeggen/ Eenvouds verlichte waters/De ruimte van het volledig leven/Tot uitdrukking te brengen/[...]
[Lucebert en Gerrit Kouwenaar over die woelige jaren '50, 1994]


