Weg met de wolligheid !
Of ik in de week naar aanloop van ‘Gedichtendag‘ niet iets over poëzie wou maken? Over het cliché: “Alle dichters hebben diepgang”. De vraag of je wel van poëzie houdt, en zo ja van welke dan zoal, stelt zich gewoonweg niet onder cultuurgevoeligen. Ik heb dan ook nog nooit iemand - buiten op een bouwwerf - horen zeggen dat gedichten hem of haar gestolen kunnen worden. Dat zou heiligschennend zijn onder bezitters van werkende hersencellen.
Er rust een taboe op het uiten van onverschilligheid voor poëzie of zelfs weerzin van poëzie. Wie het niet kan smaken is niet mee tot barbaars. Die heiligverklaring is niet alleen nefast voor de meningsuiting, maar ook voor… de poëzie. Want zo sluipt er in de naam der dichterlijke vrijheid een massa rotzooi en taalarmoe in de rekken. Op een paar te pruimen verzen na, krijg ik absolute jeuk van de wolligheid, manke metaforen en navelstaarderij die gist onder de dichtersvlag. Hoe vaak ik ook eerlijk zeg dat ik niet van poëzie in het algemeen hou, het schijnt niet door te dringen. Het valt vast niet te rijmen met andere wel cultureel correcte keuzes die ik maak.
Laat één ding duidelijk zijn, er zijn prachtige gedichten. Dus laat ons het vooral niet op een rondje parels zoeken in de zwijnenstal gooien. Dit gaat over het gebrek aan lef om kaf en koren te benoemen.
Wat voedt mijn aversie van poëzie? Het al te makkelijke slimme gebruik der karigheid. Een beetje zoals men stille mensen wel es onterecht mysterie en diepgang toedicht. Herinnert u zich de prachtige film “Being there” met Peter Sellers waarin hij een quasi achterlijke tuinier speelt die in zijn beperktheid alleen over het groeien van planten kan spreken en hierdoor voor een politiek visionair wordt versleten? Die denkfout gebaseerd op een onmetelijk verlangen naar dieper inzicht (dat inderdaad door woorden vaak gefnuikt wordt) maken we ook met het gros der poëtische werken. En ik weet waar ik het over heb.
Toen mijn vader zwaar dement in het hospitaal resideerde, had ik naar mijn mening voor het eerst diepzinnige gesprekken met hem. Dat maakte een leven van onvermogen om me verwant te voelen aan zijn simpele inborst goed. Pas bij de reconstructie van onze conversaÂties vond ik sporen van zijn vernuftig systeem om de hiaten te dichten. Zijn replieken steunden op woorden die hij lukraak uit mijn vragen pikte. Hij gebruikte ze als broodkruimels om de weg terug te vinden naar de dunne draad die ik voor hem telkens weer opnam. De vaagheid van zijn uitleg was verwant aan het passe-partout karakter van de manke horoscopen die je in kranten aantreft en aan wat soms doorgaat voor gedichten.
Op mijn banale: ‘Heb je wat gegeten?’ Serveerde hij een perfect getimede: eten (zucht) daar ligt het… (wijzend op de groene buitenwereld die zich voor hem achter glas afspeelde)… alleen naar de overkant geraken…’ Woordschaarste laat ruimte voor interpretatie en verleent het gezegde een metafysische dimensie. Mocht ik niet voorÂbijgaan aan de manna die voor het rapen lag in het vrije leven? Lokte de doodsgedachte? Of was hij weer kind met de kinderen die in het park de eenÂden voederden? Ik geef toe dat ik in die periode ook wanhopig diepgang op laag water zocht. Maar ik heb niemand lastiggevallen met de postume uitgave van al dat verbaal onvermogen.
En dan hebben we het nog niet over de productie van poëzie uit onkunde, luiheid en dyslexie inzake de emotionele prikkels. Ik durf het te vergelijken met de valkuilen der abstracte en conceptuele kunst. Ik sta in bewondering voor bijvoorbeeld een Miro die in een lang proces verzaakt aan zijn klassieke bagage en schildertechnische virtuositeit om tot zijn eigen essentie te komen. Maar ik krijg de pokken van de overproductie aan vooral op textuur en toeval gebaseerde plastische gedrochten van het legertje non-talenten die hun misbaksels onder de noemer ‘moderne kunst’ aan de man brengen. De zonde van VLD-politicus annex kunstenaar Rik Daems, de stupiditeit van Fernand en Karine Huts die zijn verfgeworden macramézucht ook nog verzamelen en betalen. Laat diegene die op een rijkelijk met streekbier overgoten voorstelling van een dichtbundel minstens bedenkelijk durfde kijken, de eerste zijn om de Hutsen uit te lachen. Niemand? Niemand! Zelfs wanneer drankzucht en een luizig liefdesleven weerslag vinden in een dichtbundel van weer eens een bekende kop, leidt dit zelden tot therapie en quasi nooit tot kritiek. Alsof het produceren van verzen de mens in kwestie verheft. Ik durf te beweren dat al het gewauwel over luchten, oneindige waters, ogen en andere lichaamsknipsels van vrouwen eerder op de diepgang van een platbodem duiden.
Ooit al eens nagedacht waarom uitgerekend mannen, de soort die emotioneel vaak een paar verwerkingsorganen missen, zich zo graag verliezen in rijmelarij? Chapeau, het is een kunst je onvermogen om je gevoelswereld trefzeker, genuanceerd en uitgebreid te dissecteren, te verheffen tot… een kunst. Om het nog niet te hebben over de luiheid die het produceren van lijvig proza in de weg staat. Laat mij het cliché over dichters en diepgang ombuigen naar de meeste dichters veinzen al dan niet virtuoos diepgang.
Inderdaad dit is provocatie! Omdat als ik toch deze week waarin akela’s gedichten staan te kwekken in stations en er versjes op de broodzak staan, moet overleven, ik voor kwaliteit pleit. Laat uit respect voor de poëzie deze editie van gedichtendag in het teken staan van de ontmaskering van lullers, would be poëten en andere bezoedelaars van de dichterlijke faam. Scheidt luidkeels kaf en koren, zodat de dichtkunst met een schone lei kan beginnen wars van het wollig gewauwel.
Weg met de hypocrisie rond de diepgang der poëten en hun poesie-mauw gehalte!
Chris van Camp levert elke week vers voer voor discussie op klara.be


