Logo


03 september 2010 00:40

Cobra.be als startpagina

Toon de tekst in de standaard lettergrootte Toon de tekst groter Toon de tekst extra groot


Agenda:


blog/Poëzie: de strijd tegen clichés

Dichters zijn verfijnde lieden

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

["I am" van dichter John Clare]

De dichter John Clare was de zoon van een landarbeider. Was dat uitzonderlijk? Eigenlijk wel. Er zijn wel meer dichters met een bescheiden achtergrond geweest, maar John Clare is uniek, doordat hij als een landarbeider in een ongeletterd milieu geboren werd en stierf, schrijft zijn biograaf Jonathan Bate. Juister zou zijn: tot hij uiteindelijk gek werd. Clare bracht bijna de helft van zijn leven in twee instellingen voor geesteszieken door.

John Clare (1793-1864) behoort nu tot de grote dichters van de romantiek, maar dat is ooit anders geweest. Na zijn eerste bundel, “Poems descriptive of Rural Life and Scenery” (1820), stond hij bekend als een zeer begaafde “peasant poet”. De ooit succesrijke, nu vergeten Robert Bloomfield was hem voorgegaan, en, op een andere manier, de grote Schotse dichter Robert Burns. Er volgden tot 1835 nog drie bundels, maar de ‘hype’ rond boerendichters en ongerepte natuurtalenten was al vlug voorbij. De poëzieverkoop in Engeland raakte na de dood van Lord Byron sowieso in het slop.

[Gelieve uw browser te updaten naar een recentere versie]

[Een vlaamse peasant poet, albeit van een heel ander kaliber, Echo, 1966]

Niet lang na “The Rural Muse” (1835) verzeilde John Clare in een diepe crisis. De voor hem zo belangrijke poëzie liet hem niet toe het hoofd boven water te houden, ondanks de steun van enkele rijke aristocratische families uit de buurt van het dorpje Helpston waar John Clare geboren werd en begraven ligt. Zijn gezondheid was altijd precair geweest. De eigen val uit een boom en vooral de aanwezigheid bij de dood van een arbeider die zijn rug brak toen hij van een hooikar tuimelde, zouden hem blijvend tekenen. Aanleg tot epilepsie, slechte voeding, omgang met prostituees, (waarvoor de ontvlambare Clare zich schuldig voelde) en sluimerend alcoholisme hebben er toe bijgedragen dat ook zijn geestelijke gezondheid achteruitging. En niet te vergeten de materiële zorgen, het vernederende besef dat hij met zijn poëzie vrouw en kinderen niet kon onderhouden, dat hij nog altijd als landarbeider, kalkblusser en hagenbouwer periodiek aan de slag moest.

Als hij in 1837 met één van zijn vele beschermdames een provincietheater bezoekt en woedend de voorstelling van “The Merchant of Venice” onderbreekt, lijkt een grens overschreden. Hij wordt verzorgd in een voor die tijd zeer liberaal en vooruitstrevend asiel voor geesteszieken in Essex. De tot dan toe gepubliceerde gedichten beslaan slechts een beperkt deel van al zijn werk. Hij bleef zeer intens poëzie schrijven, maar ook prozafragmenten en een dagboek. Veel hiervan is pas in de 20ste eeuw gepubliceerd.

De geïnterneerde John Clare mat zich de persoonlijkheid van Lord Byron en Lord Nelson aan, schreef gedichten met de stem van Childe Harold en Don Juan, creaties van Byron zelf. Maar is dat zo gek, als we weten dat Clare zich de poëzie van bewonderde dichters zeer eigen kon maken? Hij identificeert zich met de beroemde dichter, plagieert hem en dikt het satirische en obscene karakter van zijn poëzie sterk aan. Tussen het ik en de (bewonderde, benijde) ‘andere’ lijken de barrières soms opgeheven. Humor, spel, krankzinnigheid?

johnclare2

In 1844 bezoekt koningin Victoria het stadje Northampton, waar John Clare wordt verpleegd. Hij mag elke dag het gesticht verlaten om op de trappen van het kerkgebouw een pijpje te roken. Maar nu is het een bijzondere dag. Hij mag op de eretribune plaatsnemen. John Clare is nog altijd een dichter. Als Clare teruggekeerd is in het verpleegtehuis, vraagt de opzichter, bij een kopje thee, of hij de Koningin heeft gezien. “‘Ja’ antwoordt hij. ‘Wat zei ze dan tegen je?’ ‘O, ze knikte me toe’. ‘Maar wàt zei ze tegen jou?’ ‘O, ze zei “Ik ben John Clare’ “.

John Clare was geen schizofreen, schrijft Jonathan Bate, al is een diagnose zonder patiënt en zo lang na de feiten onmogelijk. Er was eerder sprake van een bipolaire stoornis, een manisch-depressieve aandoening die de grens van het psychotische benaderde, wellicht ook af en toe overschreed. Maar hij bleef schrijven.

Sommige “asielgedichten” behoren tot zijn beste werk, inclusief het beroemde “I am” dat lezer nog altijd naar de keel grijpt. John Clare speelde met ‘persona’s” en dichterlijke identiteiten, maar het kon bij hem nooit een kokette pose zijn. Het was levensnoodzakelijk om zijn ik bij elkaar te houden. “I am” begint als een klacht en een bezwering (“I am - yet what I am, none cares or knows“), terwijl de rest van het gedicht op ontreddering en bedreiging wijst, en een sterk verlangen uitdrukt naar “a place where woman never smiled or wept,there to abide with my Creator God; and sleep as I in childhood, sweetly slept”. Het verlangen naar een religieuze geborgenheid is bij Clare niet te scheiden van zijn “heilige” kinderjaren en het zintuiglijke opgaan in een intens geobserveerde en ingeleefde beschouwing van plant en dier. Hij formuleerde dit in een schitterende zin: “Where flowers are, God is, and I am free.” Geborgenheid, vrijheid, God en ik in een perfecte spanning.

De natuurbeleving was bij John Clare heel zintuiglijk en problematisch. In 1820 werd in zijn geboortedorp Helpston een proces voltooid dat jarenlang had geduurd: de beruchte “enclosures“. Engelse dorpen bestonden sinds de Middeleeuwen uit open heideland (de ‘common’) waar het vee werd geweid en landbouwgrond die uit “strips” bestond. Boeren werkten letterlijk op spreekafstand naast elkaar en de veeteelt was nog sterk gemeenschappelijk. Vanuit een kapitalistische logica en om redenen van rendement werd tot “enclosures” overgegaan, zeg maar privatisering. De gevolgen waren ingrijpend en zichtbaar: onteigening voor de zwakste landarbeiders, afsluiting en omheining van gronden, nieuwe wegen en verbindingen. Aloude kronkelende gemeenschapswegen werden rechtgetrokken. Het landschap van zijn jeugd werd onherkenbaar.

De privatisering gaf John Clare een gevoel van uitsluiting. Hij voelde zich in zijn vrijheid belemmerd. Dat gevoel is zeer scherp in zijn gedichten voelbaar maar kreeg een dramatisch karakter in een merkwaardig prozastuk. Het beschrijft een vlucht uit het asiel in Essex en de voettocht, zonder logies, hongerend en dorstend, terug naar zijn dorp Helpston. Hij gaat op zoek naar Mary Joyce (‘joy’ is een sleutelwoord in zijn poëzie). Mary was een eerste kuise jeugdliefde, die - maar dat wist Clare niet - al lang na een brand aan haar verwondingen was overleden. Mary, zijn vrouw Patty en andere vrouwen schuiven in zijn verwarde maar krachtige verbeelding tot één groot vrouwelijk ideaalbeeld samen. Maar de geliefde blijft net als het ‘ontstolen” landschap onvindbaar en onherkenbaar.

John Clare raakte lange tijd vergeten. De oorlogsdichter Edmund Blunden speelde een belangrijke rol in zijn herontdekking. Later werd de half vergeten Clare een cultfiguur in ecologisch-literaire milieus. Diverse hedendaagse dichters hebben hem hoog ingeschat. De New-Yorker en stadsmens (!) John Ashberry schat het blijvende effect van Clare’s poëzie als volgt in: “Ze voegt me opnieuw in het heden, herstelt het ‘nu’ “. De Ier Seamus Heaney die de inhuldiging verzorgde van een herdenkingsplaat in Westminster Abbey, naar aanleiding van zijn 200ste geboortedag, loofde de combinatie van droom en fotografisch realisme in zijn werk. Op zijn graf in Helpston (waar hij als potboy werkte in The Bluebell, nog altijd een mooie pub) staat het opschrift “A Poet is born not made”. In zijn nagelaten geschriften uit het dolhuis dook een andere versie op: “Poets are born and so are whores - the trade is/Grown universally in these canting days.” Woede en verrukking, elegie en parodie zijn bij John Clare niet altijd netjes in hokjes verdeeld. Toch blijft het noodlot hem achtervolgen.

In de jaren ‘60 zorgde de Amerikaanse professor Eric Robinson voor een nieuwe en volledige uitgave van zijn werk (vele gedichten werden voor het eerst gepubliceerd). Een grote prestatie want het herstelde zijn poëzie die in gepubliceerde vorm door vrienden en uitgevers van dialectwoorden was ‘gezuiverd’, en soms schaamteloos herschreven. De geestelijke stoornis van Clare ging vaak met woede gepaard. Hij werd agressief als hij zijn vrijheid beperkt zag, als zijn poëzie werd herschreven, als hij - ook met veel goede wil - door ijverige uitgevers of bewonderende lezeressen werd betutteld. Professor Robinson beschouwde de gedichten die hij zelf had opgespoord en uitgegeven als zijn bezit. Het copyright had bijna een eeuw in een archief gesluimerd. Honderdvijftig jaar na zijn dood bleef John Clare een getreiterde en gemuilkorfde dichter, die niet over zijn eigen werk kon beschikken. En toch,

“In every language upon earth,
On every shore, o’er every sea;
I gave my name immortal birth,
And kep’t my spirit with the free.”

Klik hier voor de literatuurblog van Johan de Haes op klara.be

Reageer