Logo


03 september 2010 00:42

Cobra.be als startpagina

Toon de tekst in de standaard lettergrootte Toon de tekst groter Toon de tekst extra groot


Agenda:


blog/Poëzie: de strijd tegen clichés

Autheurs archief:

Poëzie brengt niks teweeg

[Gelieve uw browser te updaten naar een recentere versie]

[William Burroughs, Allen Ginsberg en de beats, VRT-docu, 1980]

Poëzie brengt niks teweeg. Vergelijk het met de zen-boeddhist die urenlang op zijn tatami heeft zitten mediteren. Wie daarop als buitenstaander toekijkt, ziet niks concreets gebeuren, terwijl de monnik zal vertellen dat hij in zijn afzijdigheid de hele wereld heeft veranderd. Ik maak bewust die vergelijking, omdat poëzie ook een soort trip van onthechting kan zijn.

De oude Japanse haiku’s weet ik wel te waarderen — vooral hun clash van heldere beelden die een paradox moeten realiseren waarin de geest haar kleine kwartdraai maakt. Opdat we ànders zouden kijken. Naar onszelf en naar de wereld. Ik ben trouwens een grote fan van de beste verdediger van die haiku’s en het imagisme van hun uiterst herkenbare beelden, Ezra Pound. Het is Pounds dictum ‘Make it new’ dat ik maar al te graag toepas in mijn eigen poëzie, alleen beelden hanterend die jij en ik zo op straat zouden kunnen observeren.

Maar misschien vind je dat soort welriekende, naar oude eeuwen geurende poëzie iets te braaf en vormelijk te saai. Misschien moet je dan, zoals ik, in de Nippon Express van Deus Ex Machina een Japanner ontmoeten, Sono Sion, die met zijn verzen heel Tokio in rep en roer zette, door de drukste kruispunten van de wijk Shinjuku te bezetten met zijn geëngageerde, hoewel ook wat verlate mei 68-slogans.

Tijdens mijn eigen dwaaltochten door ondergronds Tokio heb ik gauw ontdekt dat de oude samoerai- en kersenbloemen-esthetiek alleen nog gesneden koek is voor een oudere, uitgebloeide generatie van Yukio Mishima-fans en theeceremonie-geisha’s verblind door het gepingel van stokoude koto-spelers. Of wat meer dramatische verzen om het bunraku-theater te kleuren, levende epische poëzie in een kleurrijk poppenspel met gemaskerde mannen erbij, om de onzichtbare krachten te verbeelden die ons bestaan bestieren. Krachten die een Japanner graag aan het werk voelt in zijn meditatieve kunsten.

Maar over bloemen gesproken: het is zo’n honderdvijftig jaar geleden dat de Fleurs du Mal van Baudelaire verschenen. Bloemen, deze keer, als metafoor voor de duistere existentiële kracht uit het bunraku-theater.

Veel glaasjes absint lokte die poëzie uit, of was het omgekeerd, dat weet ik niet zo goed. Ik weet wel dat drugs van oudsher een grote stimulans zijn in de poëzie, wat vaag verontrustend zou kunnen zijn, ware er niet de onsterfelijke Jotie ‘t Hooft en zijn junkieverdriet, of de verslavende roes van Jack Kerouac, Alan Ginsberg en de beatniks. Ze ademden de vrijheid van de moderne tijd, kleedden en gedroegen zich een beetje raar, jatten wat hippe woorden en klanken bij jazzmuzikanten, en ontmaskerden ondertussen alle misplaatste autoriteit en machtsmisbruiken van de moderne tijd. Ze wilden, net zoals die rare Japanner van zoëven, de poëzie op straat brengen. Geen conformistisch gezeik, voor de beatniks. Liever een kreet, een echte donderende ‘Howl‘.

Allan Ginsberg had, net als Baudelaire, alles van een kunstenaar die zich tegen de maatschappij verzet. Alles wat heilig is en heilig wil blijven, moet zich hullen in mysteriën, had Stéphane Mallarmé geschreven; de rest, aldus de beatniks, moet op straat bevochten worden. Met verzen.

Ginsberg was de voorbode van een hele nieuwe generatie ‘action poets’, die de dichtkunst bedreven op plekken waar heel de wereld haar moét zien — op muren, op rond te strooien leaflets, op kleine podia die dode pleintjes sieren.

Ook ik ben ervan overtuigd dat poëzie in staat moet zijn de wereld te veranderen. De beste verzen hebben een revolutionaire kern: een kern die de taal vernieuwt en de hersenstructuur wijzigt van wie met haar in aanraking komt. Poëzie is veel meer dan ‘slechts’ de expressie van een emotie of visie die op voorhand vaststaat. Betere poëzie is altijd het resultaat van twee krachten die op elkaar inwerken: een taalvernieuwende kracht, en de impact van die nieuwe taal op het vastgeroeste denken.

Lees van Bart Stouten ook “Dichters willen onsterfelijk worden”

TAGS:

Dichters willen onsterfelijk worden

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

[Emily Dickinson op poetryanimations]

Ik weet niet of Homeros er tijdens zijn dagelijkse wandelingen van droomde onsterfelijk te worden, ik weet wel dat de loutere obsessie van onsterfelijkheid grote poëzie eerder in de weg staat. Onsterfelijk is slechts de inspiratie van een dichter wiens verzen heel natuurlijk ademen, wist Sappho al. Gedichten zijn geen orakels of wijsgerige gezegden in rijm. Meestal gaan ze over kleine dingen, dingen waar mensen op hun levenspad achteloos aan voorbijlopen. De beste verzen moeten daarachter kijken, als kwam de stem uit de dingen zelf.

Onsterfelijkheid loert om de hoek, bevindt zich haast binnen handbereik van ons allemaal. ‘Sag etwas, das sich von selbst versteht, zum erstenmal, und du bist unsterblich’ schreef de Oostenrijkse schrijfster Marie von Ebner-Eschenbach: zeg voor de eerste maal iets dat vanzelf spreekt, en je wordt onsterfelijk. Zo eenvoudig lijkt het. Je bént al onsterfelijk voor je het wil zijn, en dat is een gepaste ode aan het collectieve geheugen. Niets of niemand blijft duren in dit leven, behalve in een krachtige herinnering.

Er zijn ook dichters geweest die het niet zo begrepen hadden op de mythe van de onsterfelijkheid (opname in de canon). Ze liepen niet hoog op met het criterium van houdbaarheid. Populair wilde ze al helemaal niet zijn. Ze zagen geen heil in publicatie tijdens hun leven en probeerden juist de verwachtingen rond publicatie in boekvorm te fnuiken. Ze geloofden eerder in een systeem van zelf-publicatie. Emily Dickinson stuurde haar verzen in briefvorm rond naar een kleine kring van gelijkgestemde, maatschappijkritische, breeddenkende vrienden. Ze heeft al tastend naar nieuwe ritmes en gewaagde thema’s (die een bedreiging waren voor het Quaker-stadje Amherst) de Amerikaanse poëzie vernieuwd, heruitgevonden. Ze bundelde haar verzen in broos samengebonden fascicles die pas na haar dood het daglicht zagen. Daar resideerde haar leven als dichteres: in een zwierig handschrift dat de gedrukte letter irrelevant maakt.

Ook de nieuw-Griekse dichter Kavafis heeft voor zelfpublicatie gekozen. Hij liet zijn verzen weliswaar drukken, maar enkel als aparte gedichten die bedoeld waren voor de happy few. Zo kon hij zijn eigen sexualiteit uitleven in zijn verzen, zonder schroom of angst voor sociale repressie; zo kon hij elk apart gedicht ook behandelen als een waardevolle, afzonderlijke bundel. Kavafis achtte zichzelf niet rijp voor publicatie, behalve in de bevoorrechte momenten van die ‘voltooide’ gedichten.

Emily Dickinson en Kavafis werden gedreven door een niet-begrepen onbehagen, en dat volstond; hun poëzie had geen behoefte aan bevestigende echo’s in de kritische galerij van pakweg een anthologie. Ze geloofden eerder in de doortrapte wrongfooting van een publicatie-systeem dat het poëtisch establishment een beetje op de zenuwen kon werken.

(Either JavaScript is not active or you are using an old version of Adobe Flash Player. Please install the newest Flash Player.)

Lees van Bart Stouten ook “Poëzie brengt niks teweeg”