[Gelieve uw browser te updaten naar een recentere versie]
[Johan Loos op 8-beaux-forts in Bozar, 1988]
De leeskamer lijkt steeds minder de natuurlijke biotoop van Het Woord. Performance poëzie, rap en spoken word: de poëzie keert de laatste jaren terug naar de straat, waar ze vandaan komt.
Poëzie ontstond als middel om teksten beter te kunnen onthouden, en ze mondeling makkelijk door te kunnen geven. Naar poëzie werd geluisterd, ze werd veel minder gelezen. In de Klassieke Oudheid was het bijvoorbeeld de gewoonte om tijdens uitgebreide diners te luisteren naar redenaars die klassieke werken reciteerden. Eeuwen later schonken de rederijkers prijzen aan de beste voordragers en organiseerden ze literaire tournees. Domineedichters in de 19e eeuw zagen in orale poëzie dan weer het ideale vehikel om lesjes over God, het vaderland en het gezin onder zoveel mogelijk mensen te verspreiden. In de jaren ’60 en ‘70 dynamiteerden asfaltpoëten, performancedichters, en beatpoets het academische literaire establishment. Sindsdien is de honger naar het gesproken woord alleen maar toegenomen. meer lezen …
Tenzij u tot het slag mensen behoort dat zelfs in dieren volwaardige vertolkers van Shakespeare ziet, zal het gedicht ‘De Mus’ niet meteen in uw diepzinnige gedachten-moleskine belanden. Toch hebben de gedichten van Jan Hanlo, de zonderlinge dichter achter het getsjielp, zich stevig verankerd in het collectieve geheugen van de lage landen. Zijn bekendste klankdicht ‘Oote oote boe’ kreeg zelfs een plek in de Europese canon voor poëzie. Misschien eerder omdat het gedicht in de jaren vijftig van de vorige eeuw zoveel ophef maakte - infantiel gebazel verdient geen subsidies en zo - dan wel omdat het grootse poëzie was. meer lezen …
Heel lang geleden verwachtte men van dichters dat zij op tochtige rommelzolders op een dieet van brood en koude koffie de aller-individueelste expressies van hun aller-individueelste emoties uit de zolderplanken stampten. Dichters waren volledig weg van de wereld. Ze hielden zich niet bezig met aardse beslommeringen, hun lichte hoofden waren enkel gevuld met vage ideeën. Dichters waren zwevers.
De in New York residerende Nederlandse hematoloog Leo Vroman is zo’n exemplaar. Al meer dan 43 poëziebundels zijn aan zijn duale brein ontsproten, en in Nederland heeft hij bijna elke literaire prijs gewonnen die er te winnen valt. Zijn multitalent leverde hem in de Van Dale zelfs het lemma ‘vromaneffect’ op, een begrip dat niet alleen op een hematologisch verschijnsel duidt, maar ook verwijst naar ‘het resultaat van de verstrengeling van literaire en natuurwetenschappelijke begaafdheid’.
De ondertussen vierennegentigjarige Vroman dicht in speelse, lichtvoetige woorden vooral over herkenbare en persoonlijke dingen. Steeds vaker gaat het in zijn laatste bundels over het gapende gat dat hem ongeduldig opwacht. In dit fragment uit 1981 vertelt hij wat hem precies fascineert aan de dood, en waarom kwijlen en seniel zijn hem fantastisch lijken. Hij leest ook voor uit zijn dichtbundel ‘Het verdoemd carillon’. Nee, de man is nog lang niet dood.
[Gelieve uw browser te updaten naar een recentere versie]
[Leo Vroman in ‘Wie schrijft die blijft’, 1981 ]