Dichters willen onsterfelijk worden
22 januari 2009[Emily Dickinson op poetryanimations]
Ik weet niet of Homeros er tijdens zijn dagelijkse wandelingen van droomde onsterfelijk te worden, ik weet wel dat de loutere obsessie van onsterfelijkheid grote poëzie eerder in de weg staat. Onsterfelijk is slechts de inspiratie van een dichter wiens verzen heel natuurlijk ademen, wist Sappho al. Gedichten zijn geen orakels of wijsgerige gezegden in rijm. Meestal gaan ze over kleine dingen, dingen waar mensen op hun levenspad achteloos aan voorbijlopen. De beste verzen moeten daarachter kijken, als kwam de stem uit de dingen zelf.
Onsterfelijkheid loert om de hoek, bevindt zich haast binnen handbereik van ons allemaal. ‘Sag etwas, das sich von selbst versteht, zum erstenmal, und du bist unsterblich’ schreef de Oostenrijkse schrijfster Marie von Ebner-Eschenbach: zeg voor de eerste maal iets dat vanzelf spreekt, en je wordt onsterfelijk. Zo eenvoudig lijkt het. Je bént al onsterfelijk voor je het wil zijn, en dat is een gepaste ode aan het collectieve geheugen. Niets of niemand blijft duren in dit leven, behalve in een krachtige herinnering.
Er zijn ook dichters geweest die het niet zo begrepen hadden op de mythe van de onsterfelijkheid (opname in de canon). Ze liepen niet hoog op met het criterium van houdbaarheid. Populair wilde ze al helemaal niet zijn. Ze zagen geen heil in publicatie tijdens hun leven en probeerden juist de verwachtingen rond publicatie in boekvorm te fnuiken. Ze geloofden eerder in een systeem van zelf-publicatie. Emily Dickinson stuurde haar verzen in briefvorm rond naar een kleine kring van gelijkgestemde, maatschappijkritische, breeddenkende vrienden. Ze heeft al tastend naar nieuwe ritmes en gewaagde thema’s (die een bedreiging waren voor het Quaker-stadje Amherst) de Amerikaanse poëzie vernieuwd, heruitgevonden. Ze bundelde haar verzen in broos samengebonden fascicles die pas na haar dood het daglicht zagen. Daar resideerde haar leven als dichteres: in een zwierig handschrift dat de gedrukte letter irrelevant maakt.
Ook de nieuw-Griekse dichter Kavafis heeft voor zelfpublicatie gekozen. Hij liet zijn verzen weliswaar drukken, maar enkel als aparte gedichten die bedoeld waren voor de happy few. Zo kon hij zijn eigen sexualiteit uitleven in zijn verzen, zonder schroom of angst voor sociale repressie; zo kon hij elk apart gedicht ook behandelen als een waardevolle, afzonderlijke bundel. Kavafis achtte zichzelf niet rijp voor publicatie, behalve in de bevoorrechte momenten van die ‘voltooide’ gedichten.
Emily Dickinson en Kavafis werden gedreven door een niet-begrepen onbehagen, en dat volstond; hun poëzie had geen behoefte aan bevestigende echo’s in de kritische galerij van pakweg een anthologie. Ze geloofden eerder in de doortrapte wrongfooting van een publicatie-systeem dat het poëtisch establishment een beetje op de zenuwen kon werken.
Lees van Bart Stouten ook “Poëzie brengt niks teweeg”


