Dichters zijn zwevers
23 januari 2009Heel lang geleden verwachtte men van dichters dat zij op tochtige rommelzolders op een dieet van brood en koude koffie de aller-individueelste expressies van hun aller-individueelste emoties uit de zolderplanken stampten. Dichters waren volledig weg van de wereld. Ze hielden zich niet bezig met aardse beslommeringen, hun lichte hoofden waren enkel gevuld met vage ideeën. Dichters waren zwevers.
[Johnny the Selfkicker]
Nu de poëzie zich ontworsteld heeft aan dit romantische ideaal zou je denken dat ook het cliché volledig neergedwarreld is in het stof. Niets is minder waar, het cliché blijft het dichtersvolk terroriseren - voor de doorsnee Vlaming blijft een dichter een zwever.
Het Vroman-effect
Hoog tijd dus voor wat contraterreur. En waarmee het cliché beter bestrijden dan met de geslepen messen van de aartsvijand der zweverigheden, de wetenschap. Een niet onaardig aantal wetenschappers, van wie toch bekend is dat ze met beide voeten stevig in de realiteit staan, blijkt immers ook dichter te zijn. Geen zondagsdichters, maar uitstekende poëten. Geen flut-wetenschappers, maar ernstige bèta’s met naam en faam in de wetenschappelijke wereld.
De in New York residerende Nederlandse hematoloog Leo Vroman is zo’n exemplaar. Al meer dan 43 poëziebundels zijn aan zijn duale brein ontsproten, en in Nederland heeft hij bijna elke literaire prijs gewonnen die er te winnen valt. Zijn multitalent leverde hem in de Van Dale zelfs het lemma ‘vromaneffect’ op, een begrip dat niet alleen op een hematologisch verschijnsel duidt, maar ook verwijst naar ‘het resultaat van de verstrengeling van literaire en natuurwetenschappelijke begaafdheid’.
De ondertussen vierennegentigjarige Vroman dicht in speelse, lichtvoetige woorden vooral over herkenbare en persoonlijke dingen. Steeds vaker gaat het in zijn laatste bundels over het gapende gat dat hem ongeduldig opwacht. In dit fragment uit 1981 vertelt hij wat hem precies fascineert aan de dood, en waarom kwijlen en seniel zijn hem fantastisch lijken. Hij leest ook voor uit zijn dichtbundel ‘Het verdoemd carillon’. Nee, de man is nog lang niet dood.
[Leo Vroman in ‘Wie schrijft die blijft’, 1981 ]


