[Gelieve uw browser te updaten naar een recentere versie]
[De zevende dag, 2004]
Politiek en poëzie, de woorden allitereren, maar vallen de begrippen met elkaar te rijmen? Waar politiek staat voor het aardse gekonkelfoes van stemmenronselaars en populisten, lijkt poëzie zich af te spelen in een heel andere dimensie waar bezieling, pure bewoordingen en onbezoedelde schoonheid heersen. Politiek en poëzie behoren tot onverzoenbare werelden, zo luidt de gemeenplaats.
Wie de dichter en de politicus op de ‘schaal van maatschappelijke relevantie’ plaatst, komt inderdaad uit bij twee uitersten. De politicus heeft macht, kan veranderingen teweeg brengen, kan maken of kraken. De dichter wordt wat meewarig afgedaan als een eenzaat, een dromer die krampachtig knutselt met woorden waar niemand op zit te wachten. Of zoals dichter en literatuurwetenschapper Geert Buelens het formuleert: “In de hiërarchie Beroepen die Ertoe Doen bevindt de dichter zich ergens helemaal onderaan, naast de kaboutermutsenontwerper, de blokfluitreparateur en de oudekrantencollectionneur”.
meer lezen …